Smakelijk eten !

smakelijk_eten3

Smakelijk eten !
Smakelijk eten !
Hap, hap, hap !
Hap, hap, hap !
Dat zal lekker smaken !
Dat zal lekker smaken !
Eet maar op ! (2x)
Smakelijk drinken !
Smakelijk drinken !
Gloep! Gloep! Gloep!
Gloep! Gloep! Gloep!
Dat zal lekker smaken !
Dat zal lekker smaken !
Drink maar op ! (2x)
Vocabulaire
Smakelijk eten = Bon appétit
Smakelijk : appétit ; eten = manger
Lekker = bon, appétissant
Eet (Impératif) = mange
Drinken = boire