Hiep hiep hoera !

Hiep hiep hoera !

 

Kom in de kring want jij bent jarig
Kom in de kring want jij hebt feest,
Hier is een muts want jij bent jarig
Hier is een muts, zo mooi versierd
Kom in de kring, want jij bent jarig
Kom in de kring, want jij hebt feest
Hier is een stoel, want jij bent jarig
Hier is een stoel, zo mooi versierd.
Kom in de kring, want jij bent jarig
Kom in de kring, want jij bent feest
Hiep hiep hoera, want jij bent jarig
Hiep hiep hoera, wij vieren feest.


Hiep hiep hoera ! - Vocabulaire

 

De kring = la ronde ; Jarig zijn = avoir son anniversaire
Jij bent jarig = c’est ton anniversaire
De muts = le chapeau (spécial pour l’anniversaire)
Mooi = beau ; versierd = décoré

Een stoel = une chaise (spécialement décorée) Vieren = fêter