Hij komt, hij komt, de lieve goede Sint (Audio)

hij_komt_die_lieve_goede_sint2

Il arrive, ce bon Saint-Nicolas

Hij komt, hij komt,
de lieve goede Sint
mijn beste vriend, uw beste vriend,
de vriend van ieder kind !
Mijn hartje klopt,
mijn hartje klopt zo blij
Wat brengt hij u,
wat brengt hij mij,
wat brengt hij u en mij ?
Wie zoet was, koek !
Wie stout was krijgt de roe !
Hij komt, hij komt,
de lieve goede Sint !
Mijn beste vriend,
uw beste vriend,
de vriend van ieder kind

Hij komt, hij komt, die lieve goede Sint - Vocabulaire
Hij komt = il vient
Goed = bon
ieder = chacun, chaque ; de vriend van ieder kind = l’ami de chaque enfant
het hartje = le (petit) cœur ; kloppen = battre
brengen = apporter ; zoet = doux/gentil ; koek = gâteau
De roe, de roede = le fouet ; stout = vilain, méchant